
Montessori toen & nu
Oorsprong van het Montessorionderwijs
Het Montessorionderwijs werd begin 20e eeuw ontwikkeld door de Italiaanse arts en pedagoog Maria Montessori. In 1907 opende zij haar eerste "Casa dei Bambini" in Rome. Haar visie draaide om het kind als zelfstandig, nieuwsgierig en leergierig wezen. De leerkracht begeleidt, maar het kind volgt zijn eigen leerroute. Het motto is: "Leer mij het zelf te doen."
In Nederland werd Montessorionderwijs geïntroduceerd in 1911 en groeide het in de decennia daarna uit tot een gewaardeerde vorm van onderwijs, met zowel kleuter- als basisscholen, en later ook middelbare scholen.
Montessorionderwijs in de jaren 70 (1974–1975)
Als we terugkijken naar hoe het Montessorionderwijs er uitzag in de jaren '70, dan zien we:
- Materiaalgebruik:
Veel van de originele Montessori-materialen werden gebruikt, zoals de roze toren, bruine trappen, kralenmateriaal (voor rekenen), en zandpapieren letters. Het materiaal was stevig, van hout, en bedoeld om zelf ontdekkend te leren. - Groepsindeling:
Er werd gewerkt in heterogene groepen, bijvoorbeeld 4- tot 6-jarigen bij elkaar, iets wat nog steeds gebruikelijk is. Dit bevordert samenwerking en zelfstandigheid. - Rapportage:
Rapporten waren papieren boekjes, vaak met handgeschreven opmerkingen en overzicht van vakken. De nadruk lag op persoonlijke ontwikkeling, niet alleen op cijfers. - Vrijheid
binnen grenzen:
Kinderen mochten vaak kiezen wat ze gingen doen, binnen de structuur van het dagritme. Er was veel ruimte voor zelfstandigheid, ook in hoe lang ze aan een opdracht werkten. - Technologie:
Er was natuurlijk geen digitale technologie. Alles gebeurde met papier, krijtborden en boeken. Leerkrachten waren sterk afhankelijk van hun observaties en het materiaal. - Lerarenrol:
De leerkracht was meer een begeleider dan een klassiek lesgevende figuur. Observeren was essentieel.
Montessorionderwijs in 2025
In de afgelopen 50 jaar is er veel veranderd, maar ook veel gebleven:
- Materiaalgebruik:
Het klassieke Montessori-materiaal is grotendeels behouden. De kracht van tastbaar, zintuiglijk leren blijft belangrijk. Wel zijn er materialen bijgekomen, zoals digitale hulpmiddelen (apps, touchscreen-activiteiten), maar die worden bewust en beperkt ingezet. - Digitale
rapportage:
Rapporten zijn nu vaak digitaal via platforms als ParnasSys of andere leerlingvolgsystemen. Ouders kunnen vaker meekijken en worden actiever betrokken. - Technologie
in de klas:
Er zijn digiborden, tablets en laptops, vooral vanaf de bovenbouw. Toch blijft het Montessori-onderwijs terughoudend: technologie is een hulpmiddel, geen vervanging voor zintuiglijk materiaal. - Thematisch
en projectgericht werken:
Meer aandacht voor wereldoriëntatie via projecten. Kinderen onderzoeken, presenteren en werken samen aan thema's. 21e-eeuwse vaardigheden als kritisch denken en samenwerken krijgen meer ruimte. - Toegenomen
aandacht voor sociaal-emotionele ontwikkeling:
Er is meer gestructureerde aandacht voor zaken als zelfreflectie, groepsvorming, mediatie bij conflicten, en eigenaarschap van leren. - Lerarenrol:
De rol van de leerkracht is nog steeds begeleidend, maar de tools zijn verfijnder. Er wordt ook gewerkt met coaching gesprekken en persoonlijke leerdoelen. - Diversiteit
en inclusiviteit:
Meer aandacht voor verschillende achtergronden, leerstijlen en behoeftes. Er is ruimte voor hoogbegaafden, maar ook voor kinderen met een ondersteuningsvraag, mits passend.
Wat is gebleven – en wat is veranderd?

Slotgedachte
Het Montessorionderwijs is trouw gebleven aan zijn kernprincipes: kindgericht, zelfsturend leren met concreet materiaal en een begeleidende leerkracht. Toch is het onderwijs meegegroeid met de tijd: digitalisering, sociale thema's en maatschappelijke veranderingen hebben hun weg gevonden, zonder dat de ziel van Maria Montessori's visie verloren is gegaan.
